|
De harmonicabouw in Klingenthal en omgeving.
Dit artikel verscheen eerder in het Diatonisch Nieuwsblad jaargang 19, nummer 67, december 2002
In het vorige nummer van het Diatonisch Nieuwsblad schreef ik over onze vakantiereis naar het "Vogtland", het meest zuidelijke deel van het voormalige Oost-Duitsland. Eén van de redenen voor ons om daar naartoe te trekken was de harmonica- en accordeonbouw in deze streek, met als centrum het stadje Klingenthal. In dit artikel wil ik iets meer vertellen over de geschiedenis van het bouwen van harmonica's in dit gebied.
De naam "Klingenthal" heeft niets met muziek te maken, al wordt dat wel eens gedacht. Er bestaan een paar theorieën, waarbij sommigen denken dat de plaats genoemd is naar één van de eerste bewoners die aan het eind van de zestiende eeuw een "Hammerwerk" in het dal vestigde. Meer voor de hand liggend is de verklaring die verwijst naar het woord "Klinge", wat zoiets betekent als een bergkloof. Maar om reclame te maken voor de in de "Klingenden Tälern" gemaakte instrumenten is zo'n naam natuurlijk goud waard.
In de tweede helft van de zeventiende eeuw, vestigden Boheemse instrumentmakers, die vanwege hun protestantse geloof gevlucht waren, zich in het dal. In die tijd ging het vooral om vioolbouwers, later werden ook allerhande andere instrumenten in Klingenthal, Zwota, Markneukirchen en andere plaatsen in het Vogtland gemaakt.
In het begin van de negentiende eeuw werd op meerdere plaatsen in Europa geëxperimenteerd met instrumenten met doorslaande tongen. Een echte uitvinder is niet bekend, maar onder andere in Parijs, Berlijn en in Wenen worden patenten aangevraagd voor instrumenten die als voorlopers van onze trekzak en andere diatonische instrumenten gezien kunnen worden. In 1829 bracht Johann Wilhelm Glier na een reis als geschenk een mondharmonica uit Frankfurt am Main mee. Samen met zijn broer begon hij in Klingenthal in een fabriekje met een aantal contractarbeiders dit instrument na te maken. De firma van de "Gebrüder Glier" bestond niet lang, maar de arbeiders die er gewerkt hadden begonnen daarna voor zichzelf dit nieuwe instrument te maken. Dat was het ontstaan van Klingenthal als centrum voor de harmonica-industrie. In de dertiger en veertiger jaren ontstonden meerdere mondharmonica-fabriekjes in Klingenthal en de omliggende dorpen Zwota, Untersachsenberg, Georgenthal en Brunndöbra.
Rond 1850 worden in Klingenthal de eerste trekharmonica's (in Duitsland bekend als "Handharmonika") gebouwd. De ontwikkeling gaat snel. In 1860 wordt in een plaatselijke krant over de uitvoer van harmonica's naar Engeland, Amerika en Australië geschreven. De grotere fabrieken leveren dan gezamenlijk per jaar meer dan 200.000 stuks! De prijs varieert van 16 "Neugrosschen" tot 30 Mark per stuk. Voor leveringen naar het buitenland wordt een gemiddelde fabrieksprijs gehanteerd van drie Mark per stuk, terwijl de verkoopprijs 1 Pond Sterling is. In 1871 worden er cijfers gepubliceerd van het aantal arbeiders werkzaam in de muziekinstrumentenbouw. In het Vogtland zijn er in totaal dan 2.800 instrumentbouwers, waarvan meer dan 1.000 in de harmonica-industrie, die helemaal geconcentreerd is in Klingenthal en directe omgeving. Van die ruim 1.000 arbeiders werken er 663 in de "Handharmonika"-productie, terwijl er 347 mondharmonica's maken. Een verschil tussen de hand- en de mondharmonica-tak is dat de laatsten vrijwel allemaal in fabrieken en fabriekjes werken, terwijl de trekharmonica's (en accordeons en concertina's) voor een groot deel door thuiswerkers worden gemaakt. Bij deze aantallen moet nog worden bedacht dat het hier vrijwel alleen gaat om de mannelijke arbeiders: de grote aantallen vrouwen en ook kinderen die werden ingeschakeld werden nog niet eens meegeteld!
Vlak voor de Eerste Wereldoorlog was Klingenthal met meer dan de helft van de Duitse productie hét centrum van de harmonicabouw. Er werd geëxporteerd naar alle continenten, waarbij de nadruk lag op de landen van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Buitenlandse inkopers gingen in Klingenthal huis aan huis bij de harmonicabouwers langs. Doordat zij met iedereen afzonderlijk prijsafspraken maakten was de concurrentie zo groot dat er soms onder de kostprijs geleverd werd. Zo werd er in 1881 gemiddeld nog tussen de 3,50 en 3,80 Mark per dozijn betaald, in 1885 nog maar 1,10 tot 1,20 terwijl de goedkoopste kwaliteit in 1892 voor nog maar 46 Pfennig verkocht werd! Het mag duidelijk zijn dat zulke lage prijzen de kwaliteit van de instrumenten niet ten goede kwam.
De sociale omstandigheden van de arbeiders (zowel in de fabrieken als van de thuiswerkers) waren over het algemeen slecht. De lonen waren rond 1884 maximaal 20 Mark per week voor een zelfstandige kastenmaker, 15 Mark voor een stemmer, 10 Mark voor een 'gewone' fabrieksarbeider, terwijl de zelfstandige balgenmaaksters maar 5 Mark per week verdienden. In de fabrieken werd 12 uur per dag gewerkt, de thuiswerkers gingen vaak nog langer door. Bij de meeste van die thuiswerkers werkten man en vrouw samen gewoon in de huiskamer, waar tegelijk de jongste kinderen speelden. De oudere kinderen moesten nadat ze uit school kwamen nog even een paar uurtjes meewerken.
Daarbij was er onder de thuiswerkers ook nog een grote mate van specialisatie. Sommigen (vooral vrouwen) maakten alleen balgen, anderen maakten alleen maar het (houten) kastje, weer een ander maakte stemplaten, terwijl de stemmer meestal niets anders deed dan stemmen en daarvoor dus een 'absoluut muzikaal gehoor' moest hebben.
Zo was het bij het begin van de harmonicaproductie en zo bleef het ook, terwijl in Trossingen (Hohner!) sinds het begin van de vorige eeuw alle thuiswerk naar de fabriek werden gehaald. In 1928 waren er in Klingenthal maar liefst 73 harmonicafabriekjes met 1.350 arbeiders in de fabriek (830 mannen, 520 vrouwen) en 3.500 aan de fabriek verbonden thuiswerkers (800 mannen en 2.700 vrouwen). Daarnaast waren er nog ongeveer evenveel zelfstandige thuiswerkers, zodat er toen in totaal zo'n tienduizend mensen in Klingenthal en omgeving in deze industrie werkzaam waren.
In de dertiger jaren, toen de crisis ook in Klingenthal voelbaar werd en bovendien de export door de op het eigen land gerichte Nazi-economie bemoeilijkt werd, ontstonden er ook onder de druk van de vakbonden door fusies wat grotere fabrieken, maar nog steeds kon je overal in het stadje de stemtafels horen zingen en de kastmakers horen timmeren. Wel was inmiddels de productie van duurdere accordeons meer op gang gekomen ten koste van de goedkope trekzak. Een accordeon uit de topklasse kostte eind dertiger jaren zo'n 500 Mark, terwijl de aloude 'Deutsche' en 'Wiener' nog maar tussen de 6 en de 15 Mark kostte. De bandoneon's van de firma Arnold waren voor meer dan 300 Mark te koop.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was er in Klingenthal niet veel veranderd ten opzichte van de crisistijd. Door materiaalgebrek en oorlogsomstandigheden was de productie bijna stil komen te staan. Op de zwarte markt konden harmonica's geruild worden tegen alles waar gebrek aan was: levensmiddelen, kleren, tabak, enz. Na de oorlog leefde de industrie weer op, vooral ook door de grote vraag naar nieuwe instrumenten, onder andere voor de Russische bezetters. Tijdens de DDR-tijd lukte het eindelijk (onder dwang) om de productie van de harmonica's te concentreren in grotere eenheden. In een aantal etappen werd er overgeschakeld van honderden bedrijven en bedrijfjes naar uiteindelijk maar een paar "Volkseigene Betriebe", waarvan de VEB 'Klingenthaler Harmonikawerke' de handharmonica's en de VEB 'Vermona' de mondharmonica's produceerde. In 1961 werkten er bij de VEB 'Klingenthaler Harmonikawerke' in Klingenthal 1.442 arbeiders. Daarnaast waren er nog vestigingen in Gera en Carlsfeld (de voormalige bandoneonfabriek Alfred Arnold). In dat jaar werden er 125.568 instrumenten gemaakt, hoofdzakelijk accordeons van het merk 'Weltmeister'. Naast de KHW waren er toen nog 12 half-staatsbedrijven met 872 arbeiders en 10 particuliere bedrijfjes. Samen met de thuiswerkers, die geconcentreerd waren in 'Produktionsgenossenschaften', waren er in totaal zo'n 3.500 mensen werkzaam.
Voor de export was men vooral gericht op de Oostbloklanden. Het was dan ook een grote klap toen in 1964 de Russen plotseling weigerden de contracten te ondertekenen. De productie moest met de helft teruggebracht worden. Het duurde jaren voordat men deze klap weer enigszins te boven was.
Inmiddels ging het concentreren in steeds grotere eenheden verder, totdat in 1985 alle producenten van accordeons, hand- en mondharmonica's bijeengebracht waren in de VEB 'Klingenthaler Harmonikawerke' met zo'n 3.000 arbeiders. Dat duurde tot 1989, toen de Muur viel. In de jaren daarna werden alle voormalige Oost-Duitse staatsbedrijven door de 'Treuhand' naar het kapitalistische systeem 'bemiddeld'. De 'Klingenthaler Harmonikawerke' werden opgesplitst in meerdere bedrijven, waaronder de 'Harmonika GmbH'. Samen met het stadsbestuur probeerde de leiding het bedrijf voor Klingenthal te behouden. 'Treuhand' nam echter een andere beslissing: het hele bedrijf met een geschatte waarde van 30 miljoen DM werd per 1 november 1992 voor een schijntje (630.000 DM) verkocht aan een paar West-Duitse ondernemers. Slecht 102 arbeiders konden blijven, de rest stond op straat. Voor de Klingenthalers was het extra zuur dat de nieuwe eigenaren allemaal op één of andere manier verbonden waren geweest aan Hohner, de grootste concurrent uit Trossingen.
Maar ook bij de nieuwe firma ('Harmona GmbH') was de ellende niet voorbij: in 1995 ontstonden er liquiditeitsproblemen. De drie 'Hohner-managers' lieten het zinkende schip in de steek en verkochten hun aandelen aan Dieter Fröhlich, eigenaar van een groot aantal particuliere muziekscholen. Via die muziekscholen en een soort franchisesysteem voor de leraren daarvan wilde hij de in Klingenthal gemaakte instumenten verkopen. Dit schijnt te werken: 40% van de omzet wordt inderdaad via de eigen kanalen verkocht. Daarnaast is ook de export naar West-Europese landen weer op gang gekomen. Er zijn dus nog steeds harmonica's te koop 'aus Klingenthal', maar hoe lang nog?
Andrys Stienstra

Kurt Kauert. Der Musikwinkel und die Harmonika.
De meeste gegevens en de illustraties in dit artikel over de harmonica-industrie in Klingenthal en omgeving heb ik ontleend aan een boekje wat ik ter plaatse kocht. Het is geschreven door Kurt Kauert, die eerder (1969) een dissertatie schreef over de instrumentenbouw in het Vogtland en Bohemen. Het boekje, 94 bladzijden met een harde band en precies 100 afbeeldingen (voor een groot deel in kleur), geeft een goed inzicht in de belangrijke rol die de harmonica voor deze streek heeft gespeeld. Het is in 2000 uitgegeven in de serie Weiss-Grünn door Druck- und Verlagsgesellschaft Marienberg GmbH.
Het ISBN-nummer is 3-931770-28-1. In Duitsland kost het € 17,85.
laatste wijziging: 01.01.2009 16:40:25
webmaster: Andrys Stienstra
|