|
Muziek (en meer)
in het Vogtland.
Ergens tussen Plauen en Oelsnitz worden we door (alweer) een Umleitung een verkeerde kant uitgestuurd. We zijn onderweg naar het muziekmuseum in Markneukirchen. Via Schöneck en een toch wel prachtige route door de bossen belanden we in Klingenthal. Daar wilden we wel naar toe, maar eigenlijk hadden we dat wat later in ons programma willen inplannen. Klingenthal is voor ons min of meer het hoofddoel van de vakantie, en het lekkerste moet je altijd voor het laatst bewaren... Maar nu we er toch zijn, besluiten we ons programma dan maar aan het noodlot aan te passen.
Als bespeler en eigenaar van een aantal nieuwe en antieke harmonika's (`trekzakken') die in deze omgeving gemaakt zijn, hebben we besloten deze vakantie een `bedevaart' naar het Vogtland te maken. Het zuidelijke deel daarvan wordt vaak aangeduid als de "Vogtländische Musikwinkel" (waarbij het Duitse woord Winkel uiteraard vertaald moet worden als hoek en niets van doen heeft met een plaats waar het één en ander gekocht kan worden!). De geschiedenis daarvan gaat terug naar de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), toen Boheemse vioolbouwers uit Graslitz vanwege hun geloofsovertuiging moesten vluchten. Zij vestigden zich o.a. in Markneukirchen, Klingenthal en Schöneck. Later zouden ook plaatsen als Erlbach, Adorf en Bad Brambach beroemd worden vanwege hun instrumentmakers.
Het binnenrijden van Klingenthal is enigszins teleurstellend: veel grauwe huizen in een langgerekt dal geperst tussen twee hoge bergwanden. Het is moeilijk een centrum te vinden, maar als we op een gegeven ogenblik afslaan, belanden we toch op de Marktplatz, die zoals nog zoveel in het voormalige Oost-Duitsland, op het moment gerenoveerd wordt. Nadat we de auto daar hebben geparkeerd, lopen we bij de berghelling richting kerk. Eén van de eerste gebouwen die we tegenkomen is het raadhuis, waarop we het bekende liertje, het wapen van Klingenthal, herkennen en zowaar een harmonikaspelend engeltje!. De kerk blijkt op het moment nog gesloten te zijn, zodat we doorlopen naar het plaatselijke museumpje. Dit is gewijd aan de wereldkampioenen van Klingenthal: de vele schansspringers en langlaufers die afkomstig waren uit deze wintersportplaats, en de harmonika's en accordeons die o.a. onder de merknaam Weltmeister in Klingenthal werden en nog worden gemaakt.
De accordeon is eigenlijk nog een vrij jong instrument, wat pas in het begin van de negentiende eeuw werd ontwikkeld. Al vrij snel na de `uitvinding' begonnen Vogtlandse instrumentbouwers trekzakken te bouwen. Dat gebeurde vaak in kleine bedrijfjes of zelfs als thuiswerker, waarbij vrouw en kinderen ook werden ingeschakeld. In het museum is een foto te zien van zo'n thuiswerker met zijn gezin, die daarnaast zijn huis nog moest delen met een kostganger om op die manier een beetje een vaste bron van inkomsten te hebben. Later ontwikkelden zich wat grotere bedrijven, waarbij vooral in de DDR-tijd de Weltmeister-(Harmona-)fabriek met enige duizenden arbeiders tot de verbeelding sprak. Jammer genoeg is daarvan na de `Wende' weinig meer van over, volgens de museum-medewerkster waar we mee spreken. Op dit moment heeft Weltmeister nog zo'n tachtig medewerkers onder West-Duitse leiding.
Als we even later weer voorbij de kerk lopen is die inmiddels wel geopend. Er wordt net een rondleiding gegeven aan een groep toeristen, waar wij ons maar even bij aansluiten. Vooral als er dan toch weer opnieuw een onweersbui losbarst, nemen we alle tijd om deze merkwaardige achthoekige kerk met zijn barokke preekstoel te bezichtigen. Nadat de groep is vertrokken met de bus die bijna tot op de stoep van de kerk rijdt, begint de organist te oefenen voor het orgelconcert wat hij later op de dag zal verzorgen.
Als de bui bijna voorbij is zoeken we onze auto weer op. De museummedewerkster had ons op het hart gedrukt in ieder geval nog even naar de Aschberg te gaan (936 m hoog) om vandaar te genieten van het uitzicht op Klingenthal. Met deze regen lijkt ons dat echter niet zo'n goed idee en daarom rijden we alsnog (langs de Weltmeister-fabriek) naar het muziekmuseum in Markneukirchen. In het "Paulus Schlössel" wordt al sinds 1883 een collectie van meer dan 1300 instrumenten uit de hele wereld tentoongesteld, waarbij de nadruk natuurlijk vooral ligt op wat Vogtlandse instrumentbouwers maakten. Ook hier gaat onze belangstelling vooral uit naar de tentoongestelde harmonika's, bandoneons, concertina's en accordeons, maar de andere instrumenten zijn niet minder interessant! Naast het vele wat er in de vitrines is te bezichtigen is het vooral heel leuk om een originele pianola of een ander instrument door één van de museummedewerkers te zien en vooral te horen demonstreren. Daarnaast raadt ze ons aan om vooral even van de `Kaffee mit Kuchen' te proeven: het was de bedoeling dat leerlingen van de plaatselijke muziekschool 's-middags een concert zouden geven. Helaas was dat in verband met de onweersbuien afgelast, waardoor ze nu met een grote voorraad door de moeders gemaakt gebak bleven zitten.
(zondag 16 juni)
De volgende dag is het volgens de ANWB-informatie een autoloze zondag in Duitsland. Hoewel we niet de indruk hebben dat de plaatselijke bevolking in dit gedeelte van het land zich er iets van aantrekt, laten wij daarom vandaag de auto staan. 's-Morgens lopen we na de koffie linksom vanaf de camping naar de Talsperre Pöhl. Onderaan de stuwdam zien we grote vissen zwemmen, karpers(?) van meer dan een meter lang. 's-Middags gaan we rechtsom vanaf de camping een gedeelte lopen van de "Talsperrerundweg". Een mooie route door de bossen en met mooie panorama's over het stuwmeer, maar ook over één van de troosteloze DDR-`bungalowparken' met grote aantallen fantasieloze op elkaar gepropte hokjes, zoals ze ook op onze eigen camping staan. Om het hele stuwmeer rond te lopen is ons te ver, zodat we dezelfde weg maar weer terug gaan. Overigens is de route ook te fietsen, maar daarvoor lijkt ons een ATB of een mountainbike beter geschikt dan een oerdegelijke Hollandse fiets.
(maandag 17 juni)
Vandaag is het de eerste echte hete dag van deze vakantie: een strak-blauwe lucht, vrijwel geen wind en temperaturen van boven de dertig graden. Eigenlijk geen weer om naar de stad te gaan, maar we doen het toch. We hebben vanuit onze caravan rechtstreeks uitzicht over de velden op Plauen, zijn er ook al een paar keer doorheen gereden, maar hebben de stad eigenlijk nog niet van dichtbij gezien. We parkeren in een parkeergarage die onderdeel uitmaakt van een modern winkelcentrum. Vandaaruit lopen we de oude stad in, langs het nieuwe stadhuis (ook al weer van 1912) en belanden in het Lutherpark. Op de bankjes zitten ook hier de bekende, nogal luidruchtige types, die aan de overvolle prullenbakken te zien goede klanten zijn van de plaatselijke bierbrouwerijen.
De Lutherkerk is helaas gesloten. Op de Markt kijken we naar het oude raadhuis en vooral naar de renaissancegevel uit 1548 met het bijzondere uurwerk. Bovenaan slaan twee leeuwen ieder kwartier, daaronder wordt de maanstand aangegeven. Naast de klok staan twee mannenfiguren waarvan de linker op het volle uur met zijn staf stampt, terwijl de rechter zijn baard beweegt!
De deur van de Johanneskerk staat wel open, maar binnen is aan een woud van steigerbuizen te zien dat er volop gerestaureerd wordt. Volgens het gidsje wat we van de stad hebben moeten we vooral ook even kijken naar de oude Elsterbrug, die al in 1244 in een oorkonde wordt genoemd als `pons lapideus'. Dus doen we dat, ook al constateren we dat als we dat gidsje niet hadden gehad we er waarschijnlijk aan voorbij gelopen waren. We gaan daarna weer terug naar de binnenstad en zoeken de winkelpromenade op. Plauen heeft een mooi centrum, maar heeft duidelijk veel geleden van de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. In 1945 was de stad voor driekwart gedeelte platgebombardeerd. Gedeeltelijk is dat gerestaureerd en gereconstrueerd, maar een echte `Altstad' is er niet. Na het DDR-tijdperk is er de laatste jaren weer veel nieuw gebouwd, onder andere `onze' parkeergarage, die helaas nogal duur uitvalt, omdat we al winkelend onze parkeerkaart hebben verloren...
(dinsdag 18 juni)
Dinsdag gaan we voor de tweede keer naar de "Klingende Täler". Als we nu Klingenthal binnenrijden ziet het in de stralende zon een stuk vriendelijker uit dan zaterdag. We gaan eerst naar de Schaumanifaktur, een na de Wende opnieuw opgestart fabriekje, waar weer harmonika's en -accordeons worden gemaakt onder de merknaam Silvetta. Op werkdagen wordt er ieder uur een rondleiding gegeven door de fabriek. Eerst krijgen we een kleine tentoonstelling van oudere instrumenten en van de nieuwe producten te zien en wordt het één en ander uitgelegd over de werking van de instrumenten met `doorslaande tongen'. Daarna gaan we de werknemers echt op de vingers kijken hoe zo'n instrument in elkaar gezet wordt. Iedere accordeon kost ongeveer 100 manuren (waarvan minstens de helft door vrouwen wordt gedaan). Veel is er nog niet veranderd aan de werkmethoden in vergelijking met hoe het vroeger gebeurde, al wordt er nu alleen nog in de fabriek gewerkt terwijl er vroeger heel veel thuisarbeid werd gedaan. De rondleidster verteld dat haar ouders destijds ook thuis werkten, zodat zij ook is opgegroeid naast de stemtafel waarop de tongen op het gehoor werden gestemd.
Na de rondleiding door de fabriek gaan we toch nog even naar de Aschberg om de "Klingende Täler" van bovenaf te bekijken en rijden daarna naar het aangrenzende dorp Zwota. In de oude school naast de kerk is daar in twee lokalen een tentoonstelling ingericht van de instrumenten die destijds in het Vogtland werden gemaakt. Een enthousiaste jonge medewerker leidt ons rond langs alle mond- en trekharmonika's, accordeons, bandoneons, concertina's, enz. Volgens de folder beschikt de `Zungeninstrumentensammlung Zwota/Vogtland' over meer dan 1000 instrumenten. De rondleider heeft zelf ook in de Klingenthaler Harmonikawerke gewerkt, toen dat nog een `Volkseigenes Betrieb' was. Nadat de Muur gevallen was is ook hij ontslagen en hij werkt nu in een soort `Melkert-baan' bij dit museum.
Destijds had de Klingenthaler Harmonikawerke, waar alle kleinere bedrijven gedwongen in waren opgegaan bijna 2.000 mensen in dienst, terwijl er bij de Vereinigte Mundharmonikawerke ook nog eens bijna 700 mensen werkten. Als alle toeleverbedrijven werden meegeteld waren het er zelfs meer dan 4000. Velen daarvan zijn inmiddels (12 jaar later) gepensioneerd, maar een heel groot deel is nog steeds werkeloos, verteld hij. En degenen die wel ander werk hebben gevonden zijn meestal vertrokken richting West-Duitsland. Het aantal inwoners van Klingenthal en de omliggende dorpen is dan ook dramatisch gedaald. En nu is er tot overmaat van ramp ook nog sprake van dat wat er nog over is van de Harmona-fabriek het veel te grote pand in Klingenthal gaat verlaten en een nieuwe fabriek in Markneukirchen zal laten bouwen, terwijl de laatst overgebleven zelfstandige mondharmonica-fabriek, de firma Seydel, in financiële moeilijkheden verkeert.
(woensdag 19 juni)
Vlak bij de camping is één van de drie baksteen-spoorbruggen van het Vogtland, maar doordat we de afslag missen rijden we door naar de volgende. Dat is dan ook direct de grootste ter wereld; de Göltzschtalbrücke is 574 meter lang en 78 meter hoog. Hij is gebouwd tussen 1846 en 1851 door in totaal 1736 arbeiders onder leiding van Prof. J.A. Schubert. We verbazen ons even over de ANWB-gids Oost-Duitsland waarin wordt beweerd dat de ontwerper op de dag van de opening zelfmoord zou hebben gepleegd door van de brug te springen, terwijl bij de brug zelf duidelijk wordt aangegeven dat hij pas in 1880 is overleden!
Ons eigenlijke doel vandaag is Lichtenstein (Saksen), waar in het Daetz-centrum een fascinerende collectie houtsnijwerk uit vier continenten is bijeengebracht. Peter Daetz, die in 1991 afscheid nam als directeur van Siemens AG, werd na zijn pensionering gevraagd mee te helpen met de opbouw van de `nieuwe' Duitse staten, die na de val van de muur deel waren gaan uitmaken van de Bondsrepubliek Duitsland. In 1996 constateerden hij en zijn vrouw Marlene dat een toeristische trekker van formaat voor de wederopbouw van Saksen heel belangrijk zou kunnen zijn. Samen hebben ze daarna in een periode van nog geen vijf jaar de collectie uit landen over de hele wereld verzameld. Vele grote beeldhouwwerken lieten ze zelf in opdracht maken door kunstenaars die soms heel traditioneel, maar vaak ook op een moderne manier vanuit de oude tradities van hun eigen cultuur werkten. Als we ons verbazen over de gedetailleerdheid van sommige kunstwerken, dan is het niet verwonderlijk om te lezen dat aan sommige van die opdrachten meer dan een jaar door de kunstenaars is gewerkt! Prachtige Afrikaanse levensbomen uit één stuk ebbenhout gemaakt, enorme Balinese reliefstukken waarin een heel epos wordt uitgebeeld, maar ook een heel natuurgetrouw mensenfiguur (1:1) gemaakt door een Italiaanse beeldhouwer.
De permanente tentoonstelling, die in juni 2001 is geopend, is op een heel moderne manier vormgegeven. De uitleg bij de verschillende zalen en bij diverse stukken is (in het Duits of in het Engels) te beluisteren met een zogenaamde `audio-guide'. De zaalverlichting wordt automatisch aan- en weer uitgeschakeld als er wel of geen bezoekers meer zijn. Helaas is daarbij niet gerekend op ons lage tempo, want doordat wij in de bijna drie uur die wij in de tentoonstelling doorbrengen de stukken vaak nogal aandachtig bekijken, `ziet' de bewegingsmelder ons niet meer en schakelt het licht dus weer uit. Even met de handen zwaaien of een stukje teruglopen en, floep, de spotjes gaan weer aan!
(donderdag 20 juni)
Vandaag moeten we dan toch de Elsterthalbrücke zien. We rijden naar Jocketa en zetten de auto bij het station neer. Vanaf daar is het maar een paar honderd meter lopen naar de oever van de Elster. Als je onder de brug staat is het net een kathedraal, 69 meter hoog en 283 meter lang. Toch is deze brug minder imposant dan de hogere en bijna twee keer zo lange Glötzschtalbrücke gisteren, maar dat komt vooral ook omdat je er hier minder goed een totaalbeeld van kunt zien door de bebossing van de Elsteroevers. Maar misschien beginnen we er ook al aan te wennen...
We gaan wandelen langs de Elster. We volgen één van de vele aangegeven routes, al is het ons niet altijd duidelijk waar we precies zijn en of we nog wel de goede route hebben. Maar zolang we de rivier volgen is er niets aan de hand. Het dal van de Weisse Elster schijnt hier op zijn mooist te zijn, tussen Plauen en Elsterberg. Aan beide kanten van de rivier zijn vrij steile 60 à 70 meter hoge beboste rotswanden. We komen vrijwel niemand tegen, alleen zien we een paar keer een trein voorbijkomen. We bedenken dat dit ook een hele mooie route voor treinreizigers moet zijn. Er is hier in het Vogtland en de aangrenzende gebieden, ook over de Tsjechische grens, een mogelijkheid om met één kaart met alle bussen, trams en treinen te reizen.
Als we na een paar uur weer in Jocketa terug zijn, zijn we behoorlijk moe. Dat ligt niet aan de afstand, maar misschien wel aan de vele hoogteverschillen en de warmte (30o) en uiteraard aan onze ongetraindheid. Als we later op een wandelkaart bekijken waar we ongeveer gelopen hebben, zien we dat we eigenlijk vlak langs onze camping gekomen zijn. We hadden dan ook niet eerst met de auto naar Jocketa hoeven rijden, al was het wel gemakkelijk dat we nu direct daar ook even boodschappen konden halen.
's-Avonds worden we opgeschrikt door een loeiende sirene. We kijken over de velden richting Plauen, maar zien niets bijzonders. Het doet je toch even denken aan de DDR-tijd. Nog maar twaalf jaar geleden was het voor ons vrijwel onmogelijk om vakantie te vieren in dit gebied, wat toch betrekkelijk dicht bij Nederland ligt. En andersom was Nederland voor de bewoners van deze streek een onbereikbaar, ver land. Nu zie je als je door de dorpen en steden rijdt vrijwel niets meer van wat toen nog als typisch Oostduits gold. Ja, je komt zo nu en dan nog eens een Trabant tegen, maar vaak is het dan een reclame-object, bijvoorbeeld bij een BMW-dealer. De Duitsers hier rijden nu in dezelfde merken als aan de andere kant van de voormalige muur. Daarbij rijden ze wel op dezelfde manier als ze in de `Trabi' gewend waren: altijd vol gas! De meeste wegen zijn inmiddels ook op Westduits niveau gebracht of er wordt nog druk aan gewerkt. Wat wel opvalt is dat er overal veel fabrieksgebouwen leeg staan. Maar aan de mensen op straat, aan de supermarkten en vooral in de moderne winkelcentra in de steden is niet te merken dat het welvaartsniveau hier een stuk lager zou liggen dan elders in de Westerse wereld.
(vrijdag 21 juni)
De beurs begint wat leeg te raken, zodat we op zoek moeten naar een flappentapper. We gaan naar Greiz, een stadje van zo'n 16.000 inwoners iets ten noorden van Plauen. De gids noemt het de `parel van het Vogtland', maar onze eerste indruk is wat minder positief. Het kleine centrum zijn we gauw doorheen en op straat is het wel heel erg rustig. Niet bepaald een bruisend centrum! Toch zien we vooral in de buurt van het raadhuis een aantal hele mooie Jugendstil-gevels en is de ligging van het Untere Schloss en het Sommerpalais aan de Weisse Elster grootser dan we hadden verwacht. We hebben geen zin om nog naar boven naar het Obere Schloss te klimmen, vooral ook niet omdat dat bewoond schijnt te worden en dus waarschijnlijk toch niet te bezichtigen is.
(zaterdag 22 juni)
Vandaag weer een warme dag. 's-Morgens rijden we even naar Jocketa om boodschappen te doen, 's-middags gaan we weer wandelen door de bossen en langs de Weisse Elster. We lopen ongeveer hetzelfde rondje als donderdag, alleen beginnen en eindigen we nu gewoon op de camping.
(zondag 23 juni)
De laatste dag in de "Vogtländische Schweiz". We denken erover om langs het stuwmeer te gaan lopen en ons dan met de rondvaartboot weer naar de camping terug te laten varen. Via de Talsprerrenrundweg lopen we naar Altensaltz, een klein dorpje waarvan de naam nog herinnert aan de zoutwinning die hier vroeger plaatsvond. Behalve een aardig kerkje en een Gaststätte stelt het plaatsje niet veel voor. Het meest interessant is een plattegrond van het stuwmeer die op een transformatorhuisje in stucwerk is aangebracht. Omdat het nog aardig vroeg in de middag is laten we ons vaarplan varen en lopen dezelfde route weer terug naar de camping.
(maandag 24 juni)
We gaan weer richting huis en verlaten het Vogtland. Deze keer doen we het met één tussenstop. Op de heenreis hadden we daar geen zin in en hebben twee keer een paar dagen op een camping gestaan en de omgeving verkend. Toen hadden we 882 ` caravan-kilometers' nodig om vanuit Friesland in Möschwitz te komen, voor de terugweg hebben we aan 816 kilometers genoeg.
Het Vogtland had ons veel te bieden, vooral de streek rond Klingenthal en Markneukirchen. Maar ook voor wie niet bijzondere interesse heeft in de muziekinstrumenten die daar gemaakt werden en worden kan het Vogtland een leuke vakantiebestemming of een tussenstop op weg naar bijvoorbeeld Tsjechië zijn.
De camping Gunzenberg in Möschwitz.
In het Vogtland zijn maar weinig campings te vinden. In de officiële VVV-gids worden er maar drie genoemd: `Gunzenberg' bij de Talsperre Pöhl, `Vom Tailleur' bij Irfersgrün en een camping bij Talsperre Pirk. Wij stonden ruim een week op camping `Gunzenberg' in Möschwitz bij het stuwmeer van Pöhl (een paar kilometer ten noorden van Plauen).
De camping is direct aan het water van het stuwmeer gelegen. Op dat meer (oppervlakte 452 ha, grootste breedte 2 km, grootste lengte 7 km, totale oeverlengte 27 km) kan geroeid en gezeild worden (vergunning bij de camping verkrijgbaar) en er kan in gezwommen worden, zowel direct bij de camping als bij het `Freibad'. De stuwdam is op loopafstand van de camping. Er varen vanaf de aanlegplaats bij de Talsperre een aantal rondvaartboten over het meer. Het stuwmeer is genoemd naar het dorpje Pöhl, wat is opgeofferd bij de aanleg van de Talsperre (1958-1964).
In de omgeving zijn veel wandelroutes, waarvan één (de Talsperrerundweg) rondom het meer (ruim 20 km). Andere routes gaan vooral door de bossen in de richting van het dichtbij gelegen dal van de Weisse Elster. Bij de receptie van de camping is een kaart met uitgestippelde wandelingen (variërend van 5 tot 24 km) gratis verkrijgbaar.
De camping Gunzenberg is groot: 13 ha, 300 toer en maar liefst 700 vaste plaatsen. Die laatsten bestaan grotendeels uit dicht naast-, achter- en voor-elkaar gebouwde `bungalows'; hokjes van dubieuze DDR-kwaliteit van zo'n 4x4 meter. Rondom het stuwmeer zijn nog een aantal van dergelijke kampementen, maar daar worden geen trekkers toegelaten.
De voorzieningen op de camping zijn uitstekend: prima verzorgd sanitair, een eigen Gaststätte, wasgelegenheid, enz. Er is een kleine kampwinkel en 's-morgens komt er een bakker met verse broodjes. In het nabij gelegen Jocketa is een prima supermarkt, terwijl je in een kwartiertje met de auto in het centrum van Plauen bent.
Ondanks dat het een hele grote camping was, vonden wij het er rustig. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de scholen in Oost-Duitsland op dat moment nog geen vakantie hadden (juni 2002). Aan de nummerborden van de geparkeerde auto's te zien komen de meeste gasten uit de omgeving. Dat geld zeker voor de bewoners van de `bungalows', maar ook de toerplaatsen werden meestal bezet door (voormalig Oost-)Duitsers. Nederlandse kentekens hebben wij er haast niet gezien.
Het enige nadeel van de camping is dat er weinig beschutting is, maar daardoor heb je vanaf de hooggelegen toegangsweg wel een vrij uitzicht over de velden tot aan Plauen.

Adresgegevens:
laatste wijziging: 01.01.2009 16:40:20
webmaster: Andrys Stienstra
|